Geopend maandag t/m zaterdag van 08:00 uur tot 17:00 uur

Waar ben je naar op zoek?

Categorieën
Inhoud

Parodontitis en de associatie met andere systemische ziekten

De European Federation of Periodontology (EFP) organiseert iedere 3 jaar ergens in Europa een groot congres. Het laatste congres was in juni 2022, en onze parodontologen zijn daar voor nascholing aanwezig geweest. Over een aantal onderwerpen hebben wij voor u een samenvatting gemaakt.

In deze samenvatting leest u over parodontitis en de associatie met andere systemische ziekten.

Een aantal systemische ziekten hebben invloed op de oorzaak van parodontitis en het risico op het krijgen van parodontitis. Voorbeelden hiervan zijn: diabetes, reumatoïde artritis, neutropenie en PMN-defecten, sommige syndromen (bijvoorbeeld Papillon Lefèvre, leukocytadhesiedeficiëntie syndroom), HIV, mondslijmvliesaandoeningen, maar ook het hebben van een verminderde motoriek, of het ondergaan van een medische behandeling.

Het is in de laatste decennia duidelijk geworden dat de ontstekingsreactie veroorzaakt door bacteriën op het tand- of worteloppervlak op zijn beurt van invloed kan zijn op systemische ziekten.

Bacteriën kunnen weefsels binnendringen en in de bloedsomloop terechtkomen. De afgifte van cytokinen uit de ontstekingsreactie creëert een versterkte systemische chronische ontsteking. Ook door wondjes in de pockets komen bacteriën in de bloedsomloop; door kauwen, tandenpoetsen, etc. ontstaat een bacteriëmie. Dit kan aanleiding geven tot effecten op weefsels en organen die zich ver van de mondholte bevinden.
Tot nu toe weten we, of vermoedt men, dat parodontitis verband houdt met diabetes mellitus, coronaire hartziekten, longontsteking, levercirrose, infectieuze endocarditis, psoriasis, vroeggeboorte, de ziekte van Parkinson, de ziekte van Alzheimer, reumatoïde artritis en bepaalde soorten kanker.

Over de relatie tussen diabetes, hart- en vaatziekten en parodontitis is inmiddels al veel bekend. Een aantal minder bekende aandoeningen werden in deze Euro Perio sessie besproken. 

Ziekte van Alzheimer (AD)

Ziekte van Alzheimer (AD); dit onderwerp werd besproken door dr. Kramer (NY University) 

AD is de meest voorkomende vorm van dementie; 60-80% van de mensen met dementie heeft AD. Het treft 50 miljoen mensen wereldwijd. In 2050 zullen waarschijnlijk 152 miljoen mensen AD hebben. Het uitstellen van het begin van AD kan leiden tot minder ziektegevallen; mogelijk zou de behandeling van parodontitis daar een positieve bijdrage aan kunnen leveren.
Men vermoedt dat AD ≥20 jaar gaande kan zijn vóór duidelijke symptomen zich kenbaar maken. In deze preklinische fase is er sprake van een milde cognitieve stoornis. Risicofactoren voor AD zijn onder andere: een lager opleidingsniveau, hoge bloeddruk, slechthorendheid, roken, zwaarlijvigheid, depressie, lichamelijke inactiviteit, diabetes, weinig sociaal contact, overmatig alcoholgebruik, traumatisch hersenletsel, luchtvervuiling, slaapstoornissen, hoge leeftijd, vrouwelijk geslacht, genetisch.

Bij AD ontstaan er in de zenuwcellen van de hersenen ophopingen van een bepaald eiwit, het zogenaamde beta-amyloid . De afbraak van dit eiwit verloopt niet goed; door ophopingen van amyloid 𝛽 (plaques) gaan de verbindingen tussen zenuwcellen kapot. Ook ontstaat er een kluwen van eiwitten (tangles) in de zenuwcellen zelf, wat het functioneren van de cel onmogelijk maakt en waardoor de cel degenereert.

Onderzoek toont aan dat er een ontsteking in de hersenen gaande is; deze ontsteking veroorzaakt niet alleen neurodegeneratie, maar houdt ook een vicieuze cirkel in stand. Alles uit de perifere omgeving dat tot ontsteking in de hersenen zou kunnen leiden, kan daadwerkelijk van invloed zijn op de pathologie en pathogenese van AD. Parodontitis is een van dit soort aandoeningen, omdat het gaat om een perifere chronische inflammatoire aandoening als gevolg van bacteriële dysbiose. De bacteriën en daaraan gerelateerde ontstekingsbelasting (cytokines) hebben toegang tot de systemische circulatie.

Welk bewijs is er tot nu toe?
Veel dierstudies tonen aan dat parodontale ontsteking of parodontale dysbiose herseneffecten veroorzaken: o.a.: herseninfecties, verstoring van de bloedhersenbarrière, neuro-inflammatie, amyloïd afzetting in de hersenen, synaptisch verlies, neurodegeneratie, cognitieve dysfunctie.

Epidemiologisch onderzoek laat zien dat parodontitis het risico op AD verhoogt, vooral als de parodontitis langer dan 10 jaar aanwezig was.

Neuropathologische studies bij mensen tonen aan dat specifieke bacteriën (spirocheten en P. gingivalis) in hogere frequentie werden gedetecteerd in de hersenen van AD-patiënten dan bij controle-patiënten.

Mensen met een hoger amyloïde gehalte in de hersenen hebben een hoog risico om AD te krijgen.

De groep van dr. Kramer heeft een onderzoek gedaan naar de associatie tussen de aanwezigheid van amyloïde 𝛽 in de hersenen en het voorkomen van parodontitis bij een groep van 75 relatief gezonde mensen met een gemiddelde leeftijd van 60 jaar.  Zij vonden dat personen met een groter verlies van parodontale aanhechting (high CAL) een hoger amyloïde gehalte in de hersenen vertoonden. Bij mensen zonder amyloid 𝛽 in de hersenen werd een relatief gezonde bacteriesamenstelling aangetroffen. De dysbiotische index was hoger bij mensen met een hoog amyloïde gehalte in de hersenen. Zij kwamen tot de conclusie dat er een associatie is tussen subgingivale bacteriële dysbiose en de aanwezigheid van biomarkers van AD-pathologie.

De associatie tussen parodontitis en reumatoide artritis (RA)

Prof. Bostanci (Karolinska Institute, Stockholm) besprak de associatie tussen parodontitis en reumatoide artritis (RA). 

RA is een auto-immuunziekte waarbij sprake is van chronische ontsteking van het slijmvlies (synovium) in meerdere gewrichten. Dit veroorzaakt irreversibele schade aan kraakbeen en onderliggend bot van gewrichten, hetgeen leidt tot functieverlies en (eventuele) vergroeiing van de aangedane gewrichten. De prevalentie in Noord-Europa wordt geschat op 1% van de volwassenen. RA kan op iedere leeftijd beginnen, de prevalentie neemt toe met de leeftijd, en het komt meer voor bij vrouwen dan mannen (3:1).  

Zij bespreekt de hypothese dat de humorale immuunrespons op orale bacteriën een stimulans geeft voor de ontwikkeling van RA.
Bewijs toont aan dat:

  • RA en parodontitis risicofactoren delen als roken, en genetische factoren (HLA-DRB1-allelen).
  • Parodontitis patiënten hebben een 2x hogere kans om RA te ontwikkelen.
  • RA-patiënten hebben een 2x hogere kans op parodontitis in vergelijking met patiënten met artrose.
  • Behandeling van parodontitis verlaagt de niveaus van RA-markers en verbetert de klinische uitkomst van RA.
  • P. gingivalis bezit een citrullinerend enzym (PAD). Personen die vatbaar zijn voor parodontale infectie worden blootgesteld aan antigenen die worden gegenereerd door PAD, dat het aminozuur arginine van eiwitten in de parodontale lesie omzet in citrulline. Blootstelling van parodontitis patiënten die genetisch gepredisponeerd zijn voor RA aan gecitrullineerde eiwitten, zou kunnen leiden tot auto-immuunreacties die verantwoordelijk zijn voor de initiatie van RA. De antigenen die door PAD worden gegenereerd worden systemische immunogenen en leiden tot de productie van reumafactor.


De etiopathogenese van RA wordt gekenmerkt door een asymptomatische preklinische fase. In de preklinische fase zijn er een aantal bekende risicofactoren:

  • genetisch risico;
  • omgevingsrisico’s: roken, voeding (hoge BMI), hormonen (peri-menopauze);
  • parodontitis;
  • systemische auto-immuniteit: systemische immuundysregulatie (ACPA’s, T-celimmuniteit, ontstekingsmarkers);
  • verlies van de mucosale barrièrefunctie (orale dysbiose, darmdysbiose, luchtwegontsteking);
  • tijdens de preklinische fase van RA vertoont 70-90% van de RA-patiënten seropositiviteit tegen gecitrullineerde proteïne-antilichamen (ACPA).


De groep van prof. Bostanci heeft onderzocht of er een immuunrespons te zien is voorafgaand aan de ontwikkeling van RA (dus in de preklinische fase) tegen veelvoorkomende paro-pathogenen bij mensen die risico lopen op RA (eerstegraads verwanten van RA patiënten). Er werd gekeken naar serum IgG-spiegels tegen 6 geselecteerde orale bacteriën (Aa, Pg, Pi, Tf, Td, So). Men vond dat serum-IgG’s tegen individuele paro-pathogenen niet waren geassocieerd met een specifieke preklinische fase van RA. Serum IgG tegen clusters van parodontale pathogenen was wel geassocieerd met ACPA-seropositiviteit; dit suggereert een synergetische bijdrage van deze paro-pathogenen aan ACPA-seropositiviteit.

De mogelijke relatie tussen kanker en parodontitis

Prof. Linden (Queen’s University Belfast) sprak over de mogelijke relatie tussen kanker en parodontitis.

Hij stelt de vraag of er een verband bestaat tussen parodontitis en bepaalde vormen van kanker?
Studies naar diverse vormen van kanker tonen een verhoogd risico van 5-15% aan op kanker bij het hebben van parodontitis. Maar de methodiek van de meeste van deze studies vertonen problemen:

  • zelfs in een groot cohort (met een groot aantal personen) is er vaak maar een klein aantal gevallen met kanker.
  • niet alle onderzoeken zijn gecontroleerd op bekende risicofactoren zoals roken.
  • er is vaak gebruik gemaakt van een “surrogaatmaat” voor het vaststellen van parodontitis (bijvoorbeeld het aantal missende elementen, plaqueniveaus, zelfrapportage van parodontitis, of gegevens uit de database van de ziektekostenverzekering voor behandeling van parodontitis).

Wat zou zo’n associatie betekenen?
Studies tot nu toe laten een bescheiden verband zien tussen “metingen” van parodontitis en kanker.

Wat zijn daarbij de mogelijke mechanismen:

  • specifieke bacteriën of virussen kunnen een sleutelrol spelen bij de ontwikkeling van een bepaald kankertype. Zo is humaan papillomavirus (HPV) type 16 een veroorzaker van orofaryngeale kanker.
  • Fusobacterium nucleatum (Fn) infectie komt veel voor bij humaan colorectaal carcinoom. Fn-stammen in colorectale kanker waren identiek aan stammen die uit de mond waren geïsoleerd.
  • mogelijke mechanismen zijn: ontsteking, stimulatie van EMT (Epethelial Mesenchymal Transition), celproliferatie en invasie, genomische instabiliteit met DNA-schade, vermindering van de activiteit van tumorsuppressorgenen, immuun-ontduiking.

Conclusies

De hiaten in kennis zijn groot. Er is behoefte aan meer gegevens; klinische en epidemiologische gegevens zijn nodig. Daarbij moet het gebruik van surrogaatmetingen worden vermeden.

Blijf op de hoogte van onze specialismen en de ontwikkelingen in ons vak

 

 

dit veld niet invullen s.v.p.

Maak een afspraak

Het maken van een afspraak kan via één van de onderstaande manieren

Bereikbaar maandag t/m zaterdag tussen 08:00 en 17:00 uur

Direct

Vul uw nummer in en wij bellen u.
Alleen tijdens kantooruren en afhankelijk van drukte bij de balie

Maak een afspraak bij Ordentall Clinics